dinsdag 2 december 2008

Week 4: Vragen literatuur en kadervraag

Hoofdstuk 14
Juul stelt dat narrativiteit nooit onafhankelijk, in zichzelf, kan worden bekeken, maar dat dit altijd via eeb bepaald medium tot stand moet komen. Maar hoe werkt dit met een verhaal dat zich in je hoofd afspeelt? Ik denk dat hier de nuance moet worden anagebracht dat narrativiteit alleen overdrachtelijk is door middel van een medium. Dit mis ik in deze context.

Juul, J. Games Telling Stories?
Hoofdstuk 14, pp. 219-226

Hoofdstuk 16
Ricoeur stelt dat onze identiteit ophoud wanneer wij sterven. Is dit wel daadwerkelijk zo? In mijn optiek moet hier de nuance worden aangebracht dat de mensen om ons heen nog steeds een beeld hebben van ons, ook na ons dood. Dit beeld wordt hangt samen met de identiteit die wij in ons leven hebben gecreeerd.

Mul, J. de. The Game of Life.
Hoofdstuk 16, pp. 251-266

The Last Word on Ludology v Narratology
Narratologie en ludologie hoeven in mijn optiek niet lijnrecht tegenover elkaar te staan. Waarom moet er één van beide theorieen worden gekozen en kunnen beide niet samensmelten in een "best of both worlds"?

Murray, J. (2005) The Last Word on Ludology v Narratology in Game Studies.

Game Design as Narrative Architecture
In de tekst van Jenkins komt het begrip "micronarratives" ter sprake. Hoe is dit begrip precies uit te leggen en geldt het puur voor games?

Jenkins, H. (2004) Game Design as Narrative Architecture.

Kadervraag
Zoals duidelijk naar voren kwam in Hoofdstuk 14 en 16 zijn identiteit en narrativiteit sterk met elkaar verbonden. In hoeverre kan een game invloed hebben op de denkbeelden van een speler over zijn of haar bewustzijn en de maatschappij waarin diegene zich bevindt?

Geen opmerkingen: