Een onderzoek naar identiteit in Hitman 2: Silent Assassin
David van Toor
3334929
WG 3
Aanleiding
De Hitman-serie, hoewel alweer een aantal jaar oud, is een serie van games waarbij jij als huurmoordenaar (Codename 47) zo stil mogelijk je vijanden uitschakelt, om er vervolgens snel weer vandoor te gaan. Nu lijkt dit niks nieuws onder de zon, maar waarom zou jij als speler je niet gewoon een weg door het spel heen ‘knallen’, net als bij het gros van de “first person shooters”? Deze vraag wil ik gaan beantwoorden voor het spel “Hitman 2: Silent Assassin”. Dit tweede deel uit de (nu) 4-delige serie hecht veel waarde aan narrativiteit en dat maakt dit spel voor mij het leukst om te spelen en te onderzoeken.
Ik wil binnen het onderzoek naar het spel gaan kijken naar de identiteitsconstructie van Codename 47 en in hoeverre de speler hier zich tot kan relateren. Hoe wordt de speler gemotiveerd om een zo hoog mogelijke score uit het spel te halen? Het uiteindelijk doel is om impliciet, gaandeweg het onderzoek, de hoofdvraag te beantwoorden.
Hoofdvraag- Hoe motiveert het spel de speler om de hoogste score te halen?
Onderzoeksvragen
Om uiteindelijk tot een antwoord op de hoofdvraag te komen, wil ik in het onderzoek de volgende drie onderzoeksvragen beantwoorden:
1 - Wie of wat is Hitman?
2 - Hoe verhoud het spel zich tot andere “first person shooters”?
3 - Hoe personifieert de speler zich met de hoofdrolspeler?
4 -Hoe motiveert het spel de speler om de hoogste score te halen? (hoofdvraag)
Onderzoeksmethode
Het onderzoek wil ik in 4 delen uiteenzetten. Het eerste deel vertelt het verhaal van de Hitman-serie en mijn motivatie om juist deel 2 te onderzoeken.
Het tweede deel laat zien waar Hitman zich bevindt te midden van andere first person shooters (uit de tijd van Hitman 2) en waarom dit zo is.
Het derde deel spitst zich toe op manier waarop de speler zich personifieert met de hoofdrolspeler: Codename 47. In dit gedeelte wil ik ook kijken naar de intenties van de gamemakers en de karakteristieke eigenschappen van het spel, die een stempel drukken op de Hitman-serie.
Het vierde en laatste deel moet een antwoord geven op de hoofdvraag en is tevens de conclusie.
1 - Hitman: een introductie
2 - Hitman 2: Silent Assassin in perspectief
3 - Hoe de speler verandert in Codename 47
4 – Een optimale gamebeleving
Maatschappelijk en wetenschappelijk belang
De uitkomsten van het onderzoek kunnen van belang zijn als het gaat om in hoeverre de receptie van identiteit zich verhoudt tussen de gamewereld en ons dagelijks leven. Dit is tot op heden een grijs gebied. Ook het aannemen van een rol als ‘badguy’ en de sympathie voor de hoofdrolspeler zijn belangrijke psychologische uitgangspunten voor nader onderzoek.
Op maatschappelijk niveau kan het gaan om de vraag of de rol die wij aannemen in games, invloed heeft op hoe wij in het dagelijks leven staan. Hier wordt al veelvuldig onderzoek naar gedaan en ik hoop dan ook dat dit onderzoek daar een steentje aan bij kan dragen.
Theoretisch kader
Het onderzoek doe ik vanuit een identiteitsperspectief, waarbij vooral de opbouw hiervan, de constructie, belangrijk is. Ik wil er namelijk achter zien te komen welke rol personificatie speelt in Hitman 2 en wat dit voor de speler betekent. Hiervoor wil ik een beroep doen op de theorieën van Jos de Mul, Jesper Juul en Sherry Turkle. Onderwerpen die hier aan verbonden zijn:
- Meaningfull Play
- Identity & Space
- en Ethics
Methode van onderzoek
De methode die ik wil gaan hanteren om de hoofdvraag te beantwoorden ligt op het gebied van deconstructie en vergelijking. Het gaat daarbij vooral om de factoren die bijdragen aan de identiteitsconstructie van de hoofdrolspeler.
Literatuur en bronnen
Mul, J. de. The Game of Life. Hoofdstuk 16, pp. 251-266 in: Handbook of Computer Game Studies. Cambridge, MA: The MIT Press.Raessens, J. & Goldstein, J (red.). (2005)
Turkle, Sherry. Computer Games as Evocative Objects. Hoofdstuk 17, pp. 267-279 in: Handbook of Computer Game Studies. Cambridge, MA: The MIT Press.Raessens, J. & Goldstein, J (red.). (2005)
Wahlter, B. Kampmann. “Reflections and Classifications”. 2004